Zelf dak isoleren: zo pak je het aan (stap voor stap)
Zelf je dak isoleren is goed te doen als je handig bent en de juiste stappen volgt. Je bespaart hiermee flink op je stookkosten, want een slecht geïsoleerd dak is verantwoordelijk voor een groot deel van het warmteverlies in een woning. In dit artikel lees je precies hoe je het aanpakt, welk materiaal je nodig hebt en waar je op moet letten.
Voorbereiding: wat je moet weten vóór je begint
Voordat je begint met het isoleren van je eigen dak, is het verstandig te bepalen wat voor dak je hebt. De aanpak verschilt per situatie. De drie meest voorkomende situaties zijn: een plat dak, een schuin dak met zolder eronder, of een schuin dak waarvan je de ruimte wilt bewonen (een zogeheten hellend dak met kap). Bij een bewoonde zolderverdieping isoleer je tussen de dakspanten. Bij een onbewoonbare zolderruimte isoleer je de zoldervloer, wat makkelijker én goedkoper is.
Check ook of er al isolatie aanwezig is. Oudere woningen van vóór de jaren tachtig hebben meestal geen dakisolatie. Kijk daarna naar de staat van de dakbedekking. Zijn er lekkages of verrot hout? Los dat eerst op voor je begint met isoleren, anders sluit je problemen in.
Welk isolatiemateriaal gebruik je?
Voor het zelf isoleren van een dak zijn drie materialen het meest gangbaar:
- Glaswol of steenwolplaten: voordelig, makkelijk te verwerken en breed verkrijgbaar bij bouwmarkten. Geschikt voor isolatie tussen de dakspanten. Let op: draag altijd handschoenen en een stofmasker bij het werken met glaswol.
- PIR- of PUR-platen (harde schuimplaten): hebben een hogere isolatiewaarde (lage lambda-waarde) per centimeter dikte. Handig als de ruimte tussen de spanten beperkt is. Iets duurder dan glaswol, maar effectiever bij weinig ruimte.
- Cellulosevlokken (inblaasisolatie): goed voor horizontale daken of zoldervloeren, maar vereist speciale apparatuur. Minder geschikt als volledig doe-het-zelf project voor een schuin dak.
De dikte die je nodig hebt hangt af van het materiaal. Voor glaswol is een laag van minimaal 18 tot 20 centimeter een goede richtlijn voor een schuin dak. PIR-platen hebben al bij 12 tot 14 centimeter een vergelijkbaar resultaat. Controleer de Rc-waarde (warmteweerstand) van het materiaal: voor een dak is een Rc van minimaal 4,5 het streefdoel volgens de huidige bouwregelgeving in Nederland.
Zelf dak isoleren: de stappen
De aanpak voor een schuin dak met dakspanten is de meest gebruikte methode bij doe-het-zelf dakisolatie. Dit is de volgorde:
- Maak naden en kieren dicht. Gebruik kit of purschuim om openingen tussen de dakspanten, rondom dakramen en bij aansluitingen op muren te dichten. Dit voorkomt koudebruggen en luchtlekkage, en maakt het isoleren een stuk effectiever.
- Bevestig het isolatiemateriaal. Druk de isolatieplaten of -rollen strak tussen de dakspanten. Ze mogen niet loshangen of doorzakken. Bij glaswol klemt het materiaal zichzelf vast als de maat goed is. Bij PIR-platen gebruik je lijm of mechanische bevestiging.
- Breng de dampremmende folie aan. Dit is een stap die veel mensen overslaan, maar hij is onmisbaar. De folie voorkomt dat vocht vanuit de woning de isolatie intrekt, wat schimmel en condensatieproblemen veroorzaakt. Leg de folie aan de warme kant (aan de binnenkant, dus aan je kant). Overlap de banen minstens 10 centimeter en tape alle naden af met speciale dampremtape.
- Werk het dak af. Bevestig daarna de afwerking naar keuze: gipsplaten, houten panelen of een andere binnenafwerking. Zorg dat de folie hierbij niet beschadigt.
Ventilatie: vergeet de spouwruimte niet
Bij een schuin dak is ventilatie achter de isolatie belangrijk. Tussen de buitenkant van de isolatie en de dakbeschot of dakbedekking moet een vrije luchtspouw van minimaal 2 tot 3 centimeter blijven. Dit voorkomt vochtophoping en condensatie aan de achterkant van de isolatie. Als je de spanten volledig opvult, riskeer je problemen op de lange termijn. Gebruik daarvoor eventueel twee lagen isolatie met een offset, of kies voor PIR-platen die iets dunner zijn dan de spantdiepte.
Plat dak zelf isoleren
Een plat dak zelf isoleren doe je vrijwel altijd aan de bovenkant, boven op de bestaande dakconstructie. Hiervoor gebruik je harde isolatieplaten (EPS, XPS of PIR) die bestand zijn tegen vocht en belasting. Daarna breng je een nieuwe dakbedekking aan, zoals EPDM of bitumen. Dit is iets ingewikkelder dan een schuin dak isoleren en vraagt meer gereedschap, maar is voor een handige doe-het-zelver zeker haalbaar. Let op dat je het afschot (de afvoer van regenwater) correct handhaaft.
Wanneer kun je het beter uitbesteden?
Zelf je dak isoleren werkt goed als je het gaat isoleren van binnenuit (tussen de spanten) of via de zoldervloer. Gaat het om een groot plat dak, een complex samengesteld dak of wil je gebruik maken van subsidie via de ISDE (Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing), dan is een erkende aannemer soms verplicht of slimmer. De ISDE-subsidie voor dakisolatie is namelijk alleen beschikbaar als je materialen koopt bij een erkend bedrijf, ook als je zelf aanlegt. Controleer de actuele voorwaarden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Begin bij een klein, toegankelijk dakdeel als je voor het eerst zelf isoleert, zodat je de techniek leert zonder grote risico’s. Met de juiste voorbereiding, goed materiaal en aandacht voor de dampremmende folie is zelf dak isoleren een klus die je een aanzienlijke besparing op je energierekening oplevert, vaak al binnen een paar jaar terugverdiend.
Dakgoot herstellen: zo pak je een lekkage stap voor stap aan
Zoldervloer isoleren: zo doe je het stap voor stap
Oprit aanleggen: zo doe je het stap voor stap